Ommerschans: de binnenkant van armoede

Komend vanaf Lemelerveld draai ik bij de tweede afslag richting Ommen linksaf de Balkerweg op en rij tussen een woonoase en een wereldrestaurant door in de richting Witharen. Het is een nogal eentonige weg, die mij echter nieuwsgierig maakt als ik het bordje Ommerschans passeer. Vier grote bochten, een gracht en aan weerszijden bos: een vreemde combinatie in het landschap. En intigrerend. Wat is dit eigenlijk?

De uit Ommen afkomstige en inmiddels in Lemelerveld wonende Jannes Kuik helpt mij uit de brand. Hij schreef twee verhalen en vier gedichten voor het onlangs verschenen boek “ Onzichtbare mensen, leven in de echo van de Ommerschans”. Enthousiast doet hij het verhaal over het ‘ hoe-en-wat’ van de Ommerschans voor me uit de doeken.

De Ommerschans werd omstreeks 1625 aangelegd als verdedigingswerk om het Noorden te beschermen tegen de Spaanse troepen. Het maakte deel uit van een hele linie, waar ook de Lichtmis, Coevorden en Bourtange deel van uitmaakten. Na de val van Deventer in 1672 trekken de troepen van de bisschop van Münster ( ‘Bommen Berend’) naar Ommen en bezetten van daaruit zonder slag of stoot de schans. Nadat de Raad van State in 1715 besloten had de Ommerschans te ontruimen, verjoegen de burgers van Ommen de commandant, die er was blijven wonen om te profiteren van het vruchtgebruik van de tuinen en de weiden in de omgeving.

In 1740 komt de schans weer in militaire handen. Zij wordt vergroot en krijgt dan o.a. vier bastions, vier ravelijnen en een dubbele gracht. Het terrein wordt ingericht tot een van de grote munitieopslagplaatsen van Nederland. Na 1800 neemt haar militaire betekenis steeds meer af.

In de negentiende eeuw krijgt de Ommerschans een nieuwe bestemming. In 1818 wordt op initiatief van generaal Van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid opgericht. Deze stichting krijgt de Ommerschans in bruikleen en sticht er een bedelaarskolonie. Doel was om het groeiende aantal armen, landlopers, bedelaars en weeskinderen  te heropvoeden om hen zo een beter bestaan te geven. Op papier een prachtig plan, maar het experiment werd geen onverdeeld succes. De kolonie werd bewoond door mensen die elders buiten de boot vielen. De wantoestanden die er heersten worden uitgebreid beschreven door Jacob van Lennep, die er in 1823 tijdens zijn voettocht door Nederland enkele uren verbleef. “ De pijnlijkste uren van mijn leven,” schrijft hij in zijn dagboek.

Er stond op de schans een voor die tijd enorm gebouw van negenennegentig bij negenennegentig meter met de uitstraling van een kazerne. De kolonie kende een regime van strenge orde en tucht. De mensen werden er vreselijk uitgebuit en moesten wonen en werken in slecht omstandigheden. Het was een dwangkolonie met een slecht imago. In 1890 wordt de Ommerschans opgeheven.

Nu is er vrijwel niets meer terug te vinden. Op enkele restanten van de fundering van het ziekenhuis na en een deel van de omgrachting. Op een ruw veldje staan enkele kruizen. Daar liggen personeelsleden van de kolonie begraven. Iets verder, in een nog jong bos, liggen de kolonisten. Van een graf is geen spoor te zien. Toch liggen hier tussen de vijf- en zesduizend mannen, vrouwen en kinderen. Naamloos. Daar is het bos overheen gegroeid. Er kleeft veel menselijk leed aan deze plek.

Een toegedekte geschiedenis waaraan men niet graag herinnerd wordt.

© Bert Rodenburg

 

 

 

Geef een reactie